zondag 12 juni 2016

Eén woord en je geneest

 
Kan één woord of althans één uitspraak, één inzicht, één moment van helderheid iemand genezen? Dat zouden we dan wel een wonder mogen noemen. In de praktijk zal het er vaak van afhangen, wie het verlossende woord zegt. En of degene die het hoort erin gelooft. Kortom: van de reactie van de persoon in kwestie zelf...

 
Bill Wilson
Een indrukwekkend voorbeeld van een wonderlijke omwenteling in de richting van genezing is het verhaal van Bill Wilson, de oprichter van de Amerikaanse AA (Alcoholics Anonymous). Al jaren zat hij in een psychische crisis, of zelfs een spirituele, zoals men tegenwoordig liever zegt. Hij worstelde met zijn drankverslaving en werd daar zonder veel succes voor behandeld, toen hij zich voor de zoveelste maal met een zware kater en dito depressie aantrof op een bed, in een kamer die ook al in deplorabele omstandigheden verkeerde. In totale wanhoop schreeuwde hij uit: ‘Ik zal alles doen, wat dan ook! Als er een God is, laat Hij zich dan laten zien!’ Onmiddellijk zag hij een helder licht, kreeg een extatisch gevoel en hoorde een ontzagwekkende stem die zei: ‘JE BENT EEN VRIJ MENS’. Daarop kwam hij in een serene stemming, van vrede, stille overgave.
Wilson dronk sindsdien geen druppel meer en richtte korte tijd later de AA op, waarin men elkaar aan de hand van een ‘Twaalf stappenplan’ helpt om van de drank af te komen. Onderdeel van dat plan is de uitdrukkelijke erkenning dat je dat zonder Gods hulp niet redt.
Eenduidig zijn
Was het God zelf, die zich aan Bill Wilson liet zien en horen? Het zou jammer zijn om over die vraag te twisten, want vóór je ’t weet gaan we dan aan de essentie van dit wonderlijke gebeuren voorbij. Die essentie is naar mijn gevoel dat Wilson in zijn wanhoop totaal was. Zijn kreet was geen halfbakken poging van zijn ego om de hemel uit te dagen. Hij probeerde niet maar wat; nee, hij was als het ware heel, één, in zijn ontreddering – hij smeekte oprecht. Als wij ergens totaal in zijn, eenduidig met ons hele wezen, hier en nu, dan zijn er wonderen mogelijk. Ook als het hier en nu één en al ellende is.
Misschien zou je zelfs kunnen zeggen dat het wonderlijkste van dit hele gebeuren niet datgene is wat Wilson zag en hoorde, maar dat hij er van ganser harte voor open stond. Meestal zijn we immers op de een of andere manier innerlijk verdeeld, zelfs of juist wanneer we het moeilijk hebben. We willen het één maar misschien toch ook het ander, we wikken en wegen, proberen iets maar werken onszelf tegelijkertijd tegen – en blokkeren daarmee zo’n radicale omwenteling. Veel gesmeek is toch nog een poging om iets af te dwingen, je zin te krijgen of juist ergens omheen te zeilen, en dus iets van je ego in plaats van totaal, met ons hele wezen.
Het Twaalfstappenplan van de AA - ook toegepast bij drugsverslaving - wordt terecht omschreven als een spiritueel programma. Het stemt qua intentie overeen met wat er in de aloude Veda’s uit India over God staat: ‘Om aan kommer en zorg een einde te brengen zonder Hem te kennen, is als een poging, de hemel met riemen te binden’. In haar boek Naar nieuwe ruimten van bewustzijn interpreteerde  mijn meditatieleraar Hetty Draayer dit als: ‘Alle leed eindigt alleen door ’t kennen van God’.
‘Zeg mij één woord….’
Hetty Draayer
Als we de Bijbel mogen geloven was Jezus vóór alles een groot genezer. Door de tijden heen zijn er allerlei beelden over hem heen gegooid , van ‘Zoon van-’ (wat je daar ook maar onder wilt verstaan) tot en met ‘groot magiër’, enzovoort - maar zelfs het moderne idee dat hij een ‘wijsheidsleraar’ was doet hem naar mijn gevoel nog tekort. Hij belichaamde een éénzijn met- en overgave en trouw aan ons wezen zoals de geschiedenis maar zelden heeft gekend, en was daardoor genezend aanwezig. Geloof het of niet, blijkbaar was één woord of gebaar van hem soms genoeg. Zelfs als een ander alleen maar zijn mantel aanraakte ging daar volgens de verhalen een genezend effect van uit.
Het kan best zijn dat de overlevering af en toe overdrijft, en het postmoderne bewustzijn relativeert graag alles wat los of vast staat. Beurtelings is Jezus tot gigantische proporties opgeblazen en dan weer gekleineerd, en dat moet – getuige de Bijbelverhalen - al tijdens zijn leven in Palestina/Kanaän zijn begonnen. Tegenwoordig wordt soms met dezelfde vanzelfsprekendheid het historisch bestaan van Gautama de Boeddha aangenomen en dat van Jezus de Christus in twijfel getrokken.
In de Bijbel vind je intussen kleine anekdotes die de evangelisten vast niet helemaal uit hun duim hebben gezogen. Neem bijvoorbeeld het verhaal over ‘de hoofdman over honderd’ in het evangelie naar Mattheus. Een verwijzing hiernaar is nog steeds terug te vinden in de katholieke eucharistieviering. Voordat de gelovigen de hostie krijgen, wordt er in koor gezegd: ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt; maar spreek slechts één woord en ik zal gezond worden’ (of: ‘… spréék en ik zal gezond zijn’, of: ‘… zeg één woord en ik zal genezen’).  

'Zoals je gelooft'
Aan die belijdenis kleeft iets onaangenaams dat het moderne ego zich niet graag laat aanleunen, net als aan een andere spreuk die tijdens een katholieke mis in koor klinkt: ‘ ’t Is mijn schuld, ’t is mijn schuld, ’t is mijn grote schuld’ (had men het maar gelaten bij ‘Mea culpa, mea maxima culpa’ – dat kon je nog zeggen zonder dat je wist waar het over ging). 
De oorsprong van het ‘Heer, ik ben niet waardig…’  ligt in het verhaal over een Romeinse militair, die ‘hoofdman over honderd’, die Jezus vroeg om genezing voor zijn huisknecht. Die lag zwaar ziek thuis, te ziek om naar Jezus toe te komen toen hij te Kapernaüm arriveerde. Jezus beloofde dat hij naar het huis van de hoofdman zou komen om zich over de knecht te ontfermen. Waarop de Romein zei: ‘Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.’
In de ene Bijbelvertaling staat het weer het een beetje anders dan in de andere, maar het komt erop neer dat Jezus zich verwonderde over de kennelijk rotsvaste overtuiging van de Romein, die hem bezwoer dat zijn knecht wel zou genezen als Jezus dat ter plekke tegen hem, zijn baas, zou zeggen; zijn personeel deed immers altijd wat hij de mensen zei, en daarom verwachtte hij dat hij de genezende boodschap alleen maar hoefde door te geven. ‘Zo’n geloof heb ik in het hele land nog niet gevonden,’ zei Jezus ongeveer. ‘Ga maar naar huis, het komt in orde zoals je gelooft.’ Volgens Mattheus bleek later dat de knecht op het zelfde moment genas.
Wezenlijke vrijheid
De reden om deze anecdote als ’t ware in de mis aan te halen zal liggen in de troost die ervan uitgaat voor de resterende kerkgangers van vandaag: Jezus is weliswaar niet meer fysiek bij ons maar kan ook op afstand genezen, door één woord, één uitspraak of gebaar, één intentie. De gelovigen kunnen het jammer vinden dat ze zich ‘niet waardig’ moeten achten maar dat is alleen maar de bescheidenheid waarmee die Romeinse hoofdman om genezing op afstand verzocht. Een bescheidenheid die niet alleen zijn ego maar ook het onze past, een openheid om te kunnen ontvangen, een onverdeelde bereidheid en oprecht geloof. Het gaat erom, niet teveel te vragen maar tegelijkertijd wèl voor een wonder open te staan.
Het leven is één groot wonder....
Mijn meditatieleraar Hetty Draayer was protestant opgevoed maar had, zei ze eens, ‘een katholiek hart’. In één van onze gesprekken citeerde ze het ‘zeg mij één woord en ik zal genezen’, en voegde daar aan toe: ‘Dáár geloof ik in!’ Ze bedoelde dat heel ruim: niet alleen één specifiek woord of gebaar maar ook één inzicht, één klank, één gerichte intentie kan de natuurlijke doorstroming van je energie herstellen en zodat je gezond, heel en één wordt.
Bij dat ene inzicht kan het bijvoorbeeld gaan om het besef, met welke specifieke gebeurtenis in je verleden een blokkade in je energiehuishouding samenhangt. Of, zoals bij Bill Wilson, het besef van de wezenlijke vrijheid die je hebt, ondanks de verslaving waaraan je lijdt. 

Zijn wonderen bovennatuurlijk?
Was het nu een wonder, de genezing van de knecht die thuis ziek lag? In de Bijbel worden nog veel meer genezingen aan Jezus toegeschreven, en deze was misschien niet eens de meest wonderlijke – denk maar aan de opwekking van Lazarus uit de dood. Je kunt erover twisten of hij nou helemaal- of alleen maar een béétje dood was, maar het blijft een sterk verhaal, hoe je dat ook opvat.
Er lijkt me geen bezwaar tegen om van een wonder te spreken zolang we daarmee bedoelen dat we ons over een of ander gebeuren verwonderen – dat het ons verbaast, bijvoorbeeld omdat we iets anders verwacht hadden, en misschien omdat iets ons van ontzag vervult. Dat zou ons kunnen sterken in het onverdeelde geloof dat nodig is om een genezend woord (klank, gebaar, intentie, inzicht) effect te laten krijgen. Niet voor niets moet Jezus meerdere malen hebben gezegd: ‘Uw geloof heeft u genezen’, of woorden van gelijke strekking.
Maar het woord ‘wonder’ wordt ook wel gebruikt om iets aan te duiden wat van bovennatuurlijke aard zou zijn. Daar gaan we naar mijn gevoel de mist in, want de term ‘bovennatuurlijk’ suggereert dat er iets gewoons is wat zich verstandelijk zou laten verklaren, en daarnaast of daarenboven iets wat we niet begrijpen omdat het de normale natuurlijke wetten en regels zou doorbreken. Dat geloof ik nou net niet.
De verborgen samenhang
Ik geloof iets heel anders: dat we in één groot wonder leven. Met een variant op de kreet ‘alle geloof is bijgeloof’ ben ik geneigd tot de waarschuwing ‘alle verstand is misverstand’. Sinds ik in 1980 na mijn wetenschappelijke studie de innerlijke weg insloeg hou ik steeds minder voor onmogelijk. Het is maar net wat je gelooft, en in het verstand geloof ik steeds minder.
Het wonderlijkste van alles is, wat mij betreft, dat je de uitspraak ‘we leven in één groot wonder’ ook kunt omkeren: er voltrekt zich een groot wonder in ons, door ons heen. Want wij zijn zelf datgene waarin dit allemaal gebeurt, en wie niet aan zijn of haar verstand vastzit kan dat ook ontdekken.
Als de Veda’s en de AA stellen dat we ‘God moeten kennen’ om onze zorg en kommer te beëindigen, dan wordt daarmee niet bedoeld dat God buiten ons zou zijn. De Veda’s stellen immers ook: ‘God, die één is, verborgen in de diepte van elk wezen, is de ziel van alles’. Bill Wilson zag een licht en hoorde een stem uit de diepte, en ‘binnen’ en ‘buiten’ waren één.
Wonderen zijn geen inbreuk op de kosmische orde, geen ingreep van iets of iemand die boven de natuur staat, maar een uiting van de verborgen samenhang die ten grondslag ligt aan al wat is – de of het Ene. Vandaar dat één noodkreet vanuit het diepst van ons wezen kan worden gevolgd door een genezend antwoord vanuit diezelfde diepte. Als wij er helemaal voor open staan.

donderdag 25 februari 2016

ZACHTMOEDIGEN ZULLEN DE AARDE ERVEN

Harde krachten roepen harde tegenkrachten op. Daarom kunnen alleen de zachte krachten winnen – als die harde eenmaal zijn uitgewoed. 

Aan deze oude wijsheid, ook verwoord in de Bergrede, worden we in onze huidige tijd hardhandig herinnerd. Ondanks de bijna dagelijks herhaalde beelden van afschuwelijke wreedheden kunnen we het beste terughoudend zijn met beschuldigende vingers, en de hand in eigen boezem steken.


In de zeventiger jaren van de afgelopen eeuw, toen ik met een vriend op vakantie was in Marokko, gingen mijn ogen open voor de losgeslagen indruk die de westerse (Europees-Amerikaanse) cultuur - met haar uit de hand gelopen egocentrisme en consumentisme - wel moet maken op mensen in niet-westerse culturen. Het eerste vege teken van westerse invloed in dit overwegend islamitische land zagen we al vanaf de boot waarmee we vanuit Spanje de Marokkaanse kust naderden: tussen de boomtoppen op de beboste heuvels rees een gigantisch reclamebord voor Pepsi op. Dergelijke dranken zijn daar begrijpelijkerwijs populair, vanwege het officiële taboe op alcohol.

Indringender werd het culturele contrast een paar dagen later, toen we overnachtten in een Berbers bergdorpje waar tot onze verrassing een hotel was. ’s Avonds bleek het dorp grotendeels in duisternis gehuld maar maakten we niettemin een wandeling langs de eenvoudige, hier en daar ronduit armoedige huizen, schuren en werkplaatsen. We passeerden bijbels aandoende taferelen, zoals dat van mannen in lange gewaden die bij het spaarzame licht van een kaars of, iets moderner, een petroleumlamp zaten te kaarten tussen strobalen en losliggend hooi. Alleen middenin het dorp was elektrisch licht. In het lokale theehuis brandden tl-buizen en keek een aantal mannen naar de televisie. Het was een cultuurschok om te zien wat ze zagen: een aflevering van de Amerikaanse serie Dallas.

Larry Hagman als JR in 'Dallas'
Onwillekeurig vroeg ik me af wat deze kijkers van ons zouden denken – ik dacht ‘ons’ omdat wij in Europa bijna alles van de Amerikanen overnemen en dus gemakkelijk door ‘derden’ over één kam kunnen worden geschoren. Natuurlijk is zo’n TV-serie niet representatief voor de Angelsaksische cultuur - het is fictie, waarin een hoop wordt geromantiseerd en het kwaad uitvergroot – maar zoiets levert beelden op, niet alleen de beelden die worden vertoond maar ook de beelden die kijkers eraan overhouden. En zulke beelden lijken soms machtiger dan de werkelijkheid. Bovendien lopen fantasie en realiteit in de Verenigde Staten soms moeiteloos in elkaar over, zoals blijkt uit het feit dat een filmster er gouverneur van een staat kan worden, of zelfs president. Inmiddels kan ook in Europa een komiek op z’n minst in een parlement komen, en in Nederland zelfs tot verwildering van de politiek leiden.



Niet langer verbonden

Tegenwoordig heeft niemand nog TV-programma’s nodig om beelden te krijgen van andere volkeren, culturen en religies – fictie noch officieel nieuws of documentaires. Door het steeds maar toenemende virtuele contact via internet c.q. sociale media buitelen de beelden over elkaar heen, en iedereen kan op zijn of haar beeldscherm(pje) uitzoeken wat in de eigen kraam te pas komt. Sommige beelden corrigeren andere misschien enigszins, maar stereotypering van- en bevooroordeeldheid jegens hele groepen is alleen te doorbreken door persoonlijke ontmoetingen, door individuele omgang met elkaar. En precies dááraan ontbreekt het op grote schaal, niet alleen omdat er erg veel mensen zijn, van wie de meesten bovendien te ver weg zitten om ze lijfelijk te ontmoeten, maar ook omdat menigeen zich in eigen contreien overwegend beperkt tot de omgang met ‘ons soort mensen’.
Bas Heijne wees begin dit jaar in een artikel in NRC-Handelsblad, onder de kop Nederland, niet langer verbonden, op de onvrede waarmee veel mensen al jarenlang rondlopen: een tekort aan gevoel van eigenwaarde, een heftig gevoel van miskenning, niet gezien worden, volgens hem ook de voedingsbodem voor ‘de rellerige protesten tegen de opvang van vluchtelingen, de weerklank die de bewust opgeklopte verzetsretoriek van Geert Wilders vindt, de hysterische ondergangslyriek in de sociale media’.

‘Waarom,’ vroeg Heijne, ‘lopen de emoties zo waanzinnig hoog op? Waar komen die overspannen hyperbolen vandaan? Waarom radicaliseren opvattingen zo snel?’ Een antwoord op deze vragen vond hij bij de Amerikaanse filosoof Matthew Crawford: als mensen te weinig onderlinge verbondenheid met anderen voelen ‘begint ieder van ons zichzelf te zien als de vertegenwoordiger van iets algemeens. We brengen dit ‘vertegenwoordiger zijn’ mee in onze ontmoetingen met anderen. Dit vervlakt onze relaties en maakt ze abstracter.’ Zodoende, stelde Bas Heijne, kunnen mensen zich ontwikkelen tot prototype van de boze burger die het niet langer pikt, z’n vertrouwen in de politiek kwijt is, enzovoort: in alles anti. ‘In plaats van verbondenheid is er enkel nog vervreemding.’



De andere soort vervreemding

Er zit iets paradoxaals in de visie van Crawford en Heijne: we zouden elkaar als individuen tegemoet moeten treden – in plaats van de ander te zien als lid van een (andere) categorie – maar tegelijkertijd draait het streven naar de wenselijke verbondenheid gemakkelijk uit op groepsvorming, categorisering dus, en al gauw ook op vooroordelen en antigevoelens jegens mensen die we tot andere categorieën rekenen.
Onder deze omstandigheden blijven we gemakkelijk gevangen in de o zo menselijke neiging om anderen te zien en te behandelen als vertegenwoordiger van iets, en dat is dan nogal eens iets wat we verwerpen – Heijne noemt als voorbeelden ‘de regent, de populist, de Gutmensch, de tokkie, de radicale moslim, de wereldvreemde elite, de onbestuurbare burger.’ Individuen ‘harnassen’ zichzelf met het gelijk van hun eigen groep, en het risico bestaat dat je op jouw beurt als groepslid wordt behandeld en eventueel ook verworpen. Volgens Bas Heijne zou je hieraan de neiging kunnen ontlenen om je ook nog te gaan gedragen naar het beeld dat anderen van je hebben, en zo houdt deze vicieuze cirkel zichzelf dan in stand.
Wat ik, voor zover ik het met Heijne en Crawford eens ben, in deze analyse mis is de andere soort vervreemding waarvan tegelijkertijd sprake is: zelfvervreemding. De gesignaleerde onvrede, de gevoelens van miskenning, die waanzinnig hoog oplopende emoties, de geradicaliseerde opvattingen en het boze burgerschap moeten minstens zoveel te maken hebben met vervreemding van zichzelf, met niet ‘gewoon jezelf zijn’: ontspannen, voor rede vatbaar, in staat tot compassie, zelfs tot liefde, en zelfverantwoordelijk.


Gekrakeel en dialoog

Misschien word ik met zo’n visie op ‘het eigenlijke zelf’ weggezet als geitewollensokkendrager die vertrouwen heeft in het goede, schone en zachte van onze ware aard. Maar de lead (introductie) boven Heijne’s NRC-artikel wijst er in feite ook op dat die boze burgers niet zichzelf zijn: ‘Bedreigde eigenheid, een heftig gevoel van miskenning – het is al jarenlang de grondtoon van de vaderlandse onvrede’. Mijn stelling is dat die eigenheid niet alleen maar van buitenaf wordt bedreigd, door andere groeperingen of individuen, maar vooral ook van binnenuit, door zichzelf. Wie die kant van het tekort aan verbondenheid negeert kan wel een verhaal met een moraal schrijven maar doet geen waarachtige oproep om de hand in eigen boezem te steken.
Prototype 'boze burger' (tillywoodmagazine.nl)
De trend lijkt te zijn dat men zowel anderen als zichzelf beschouwt als ‘vertegenwoordiger van iets’, zoals Heijne en Crawford ook stellen: ‘Wanneer mensen zich meer en meer als de individuele vertegenwoordiger van een algemeenheid gaan zien – een positie, een overtuiging of een identiteit – wordt een werkelijk gevoel van verbondenheid met anderen moeilijk en misschien wel onmogelijk – er staat domweg teveel tussen mensen in (….)’. Dat moet dan die in de knel geraakte, van buitenaf maar ook van binnenuit verwrongen ‘eigenheid’ zijn.
Heijne ziet een oplossing voor het gekrakeel in dialoog, vooral een dialoog waarin de tot nog toe zwijgende, rustige, redelijke, niet-geradicaliseerde meerderheid haar stem alsnog verheft. Maar dat brengt het risico met zich mee dat die zwijgende meerderheid verdwijnt, dat we er straks bijna allemaal flink tegenaan gaan zodat er een meerderheid van boze burgers met bedreigde eigenheden ontstaat. ‘De zachte krachten zullen zeker winnen’, zoals Henriëtte Roland Holst dichtte, maar niet voor niets gaat deze eerste zin van haar beroemde sonnet op de tweede regel verder met ‘in ’t eind’.
Me dunkt dat die zachte krachten pas kunnen winnen als ieder die in zichzelf vindt door te luisteren naar het ‘innig fluisteren’ ervan, en daaraan gevolg te geven in het eigen doen en laten.


Moreel corrupt en barbaars

Na mijn vakantie in Marokko ben ik nog in diverse andere overwegend of gedeeltelijk islamitische landen geweest. Mijn indruk is dat men daar in de eerste plaats betere vrienden met elkaar is, zij het in min of meer eigen kringen, dat men er doorgaans gastvrijer is tegenover bezoekers uit ‘den vreemde’ en dat men er door de bank genomen religieuzer is gebleven, vooral in de zin van geloviger. Verder heeft men er de mooiste naam voor God, die alleen al vanwege de klank een eye opener zou moeten zijn voor de rest van de wereld – en zelfs de mooiste bijnaam, ‘de Barmhartige’.
Helaas heeft zich in die landen sinds Dallas, maar uiteraard ook geheel onafhankelijk van die TV-serie, nog veel meer ongunstige beeldvorming omtrent het Westen voorgedaan. In het dagblad Trouw heeft de schrijfster/columniste Naema Tahir (van Pakistaanse afkomst en getrouwd met de Nederlandse rechtsfilosoof Andreas Kinneging) samengevat hoe het mogelijk is dat gewetensgestoorde extremisten in het Midden-Oosten weerklank vinden bij een deel van de ook daar overwegend stilzwijgende rest van de bevolking, en bij sommige avonturiers uit de eigen regio en uit het Westen.

Naema Tahir
Het komt erop neer dat deze extremisten gebruik maken van een ‘groot Verhaal’ waarin de meerderheid nog steeds gelooft en waarmee criminele bendes geweld rechtvaardigen. Volgens Tahir moeten we proberen, iets te begrijpen van hun beweegredenen - omdat er anders nooit een oplossing komt voor het steeds internationaler wordende conflict. ‘De kern is dat ze het Westen verwerpen,’ aldus Naema Tahir. ‘In hun ogen is het Westen moreel gecorrumpeerd en barbaars. Bovendien richt het Westen veel schade aan in het Oosten. Ze willen voorkomen dat de islamitische wereld net zo wordt en daarom moeten moslims en westerlingen uit elkaar worden gedreven en tegen elkaar worden opgezet.’





In dienst van de Hoogste

Tahir legt deze visie uit aan de hand van de begrippen ‘ik’ en ‘wij’. ‘In een traditionele samenleving zoals de islamitische is het ‘ik’ secundair. Wat ‘ik’ wil, doet er minder toe, want het gaat om het ‘wij’, het geheel. (….) Van jongs af aan wordt de mens geleerd, zijn ‘ik’ en zichzelf in dienst te stellen van het grotere geheel. Wat iemand wil is dus niet zo relevant. Het gaat erom wat je behoort te doen binnen de groep. Zo’n opvoeding leidt ertoe dat ‘ik’ en ‘wij’ niet meer goed los van elkaar te zien zijn. ‘Ik’ wil wat ‘wij’ willen. En ‘wij’ willen wat de religieuze traditie voorschrijft. De psychische inbedding van het individu in de groep en de traditie is dus totaal. Een leven buiten de groep en de traditie is erger dan de dood.’
Stel je eens voor hoe iemand tegen de achtergrond van zo’n conditionering naar het Westen kijkt, oppert Naema Tahir: ‘Inbedding van het individu in de groep en de groep in de religieuze traditie ontbreekt. Iedereen doet waar hij of zij zelf zin in heeft. Het ‘ik’ is dik, het ‘wij’ anorectisch. Dat is anarchie, losbandigheid, afkeer van de weg van God. Met andere woorden: het is de hel op aarde. Wie daar iets tegen onderneemt, is een ridder in dienst van de Hoogste’ (althans in de ogen van een jihadi, wordt hier bedoeld).
Dit beeld is weliswaar ook een stereotype maar als beknopte samenvatting van waar ’t aan schort in de hoofdstroom van de westerse cultuur slaat een en ander de spijker op z’n kop – laten we dat maar eens toegeven. En onafhankelijk van de vraag in hoeverre Naema Tahir het zelf eens is met deze cultuurkritiek zal die zeker overeenstemmen met wat veel salafisten en vrijwel alle jihadi’s denken. Zij verbinden deze denkwijze helaas met gedrag dat we hier tegenwoordig, anders dan vroeger, niet meer als ridderlijk waarderen. Het ergste is dat men met dit denkbeeld afschuwelijke wreedheden meent te kunnen rechtvaardigen, ook in de eigen regio, of je zou moeten zeggen dat het per saldo nog erger is dat het Westen zich in die zelfgecreëerde hel heeft gestort.


De ‘Triumph des Willens’

Maar nu de keerzijde van het verhaal. Die is, voor de zoveelste maal in de menselijke geschiedenis, dat wie het kwaad bestrijdt er deel van wordt, want de strijd is het kwaad. En daarbij gaat het niet eens primair om de strijd tussen mensen of opvattingen maar om de strijd van het ego tegen de kosmische orde – daar komt de onderlinge strijd uit voort. ‘Islam’ betekent ‘overgave’ of ‘onderwerping’, zoals ook Geert Wilders graag memoreert, maar daarbij gaat het geenszins om de overgave of onderwerping van een mens of volk aan een ander mens of volk, maar om de overgave van de mens aan God, de eenwording met de/het Ene, de harmonie met Tao.

De jihad waarom het in mijn ogen gaat is de innerlijke strijd met ons ware Zelf, met God-in-ons, zo u wilt, en als die strijd er eenmaal is moet zij ook worden uitgevochten - met onszelf, uiteraard – òf we moeten alle strijd loslaten. Want in beide gevallen (loslaten of tegen jezelf vechten) kan deze strijd alleen worden beëindigd door overgave van het al dan niet dikke ‘ik’ aan dat wat we eigenlijk zijn, of, wat op hetzelfde neerkomt, de overwinning van dat ware Zelf op het weerbarstige ‘ik’. Pas dan zijn we er weer zoals God ons bedoeld heeft, gewetensvol handelend als dienaar van de Hoogste.
Wie met een kalasjnikov in de hand een juichende positie aanneemt op een pantservoertuig of Toyota-pickup-truck doet in wezen niets anders dan de acteur Larry Hagman die, poserend als JR uit Dallas, met een big smile zijn enorme cowboyhoed afneemt om op de trap van een zojuist geland vliegtuig applaus in ontvangst te nemen. In beide gevallen wordt een kwalijke of zelfs kwaadaardige illusie versleten voor datgene waarom het in ons leven gaat. De Hoogste vraagt niet om strijd met elkaar of uiterlijk heldendom. Want dat is alleen maar, in ’t klein of in ’t groot, de ‘Triumph des Willens’ (graag even googlen als dit niet duidelijk is).



Radicale spiritualiteit

Vanuit dit perspectief zijn veel religieus geïnspireerde activisten niet te radicaal maar juist niet radicaal genoeg! Echt radicale spiritualiteit betekent dat je die innerlijke strijd aangaat in plaats van vermijdt, en je aandacht bijvoorbeeld niet van deze opgave afleidt door een strijd met anderen aan te gaan. Echt religieus zijn houdt in dat je je bewust wordt van je innerlijke conflicten en vervolgens zo diep leert los te laten dat de ontspanning overgave wordt. Dit brengt met zich mee dat je niet meer op anderen projecteert wat je tot dan toe niet van jezelf accepteerde. Zo kun je terugkeren tot je oorspronkelijke natuur, je èchte eigenheid, waarvan je dan ook kunt voelen en weten dat die helemaal niet bedreigd wordt of verdedigd hoeft.
Vanuit ditzelfde perspectief zijn we allemaal vertegenwoordiger van iets algemeens, maar de clou is dat dit ‘iets’ nog veel algemener is dan ‘een positie, een overtuiging of een identiteit’. We zijn allemaal een personificatie van de/het Ene, elk mens is een manier waarop God het óók probeert – en daarin zou kunnen slagen als we ons eigen innerlijke verzet ertegen staken. Het grotere geheel dat gediend moet is niet een familie, clan of andere groep, geen politieke partij of geïnstitutionaliseerde religie, geen vaderland of staat maar het echte grote ene Geheel. En voor deze dienst hoef je geen ridder te zijn, alleen maar echt jezelf.


Een nieuw ‘groot Verhaal’

Misschien is het hier in het Westen tijd voor een nieuw ‘groot Verhaal’. Het bovenstaande zou in dialoog met moslims het grote Verhaal kunnen zijn dat niet tegenóver het islamitische grote Verhaal blijkt te staan maar daar in wezen slechts een andere versie van is. Misschien is dat best duidelijk te maken, maar dan moeten we wel laten merken dat we in het kader van de innerlijke strijd ons huiswerk doen - dat we oprecht bezig zijn te leren, op onze manier het ene grote goddelijke geheel te dienen. Ook al staat de Westerse meerderheid in deze postmoderne tijd niet meer achter het eigen traditionele grote Verhaal, dat trouwens uit het Midden-Oosten stamt.

We kunnen tot elkaar komen als we tot onszelf komen, en zo’n nieuw groot Verhaal zou ons daartoe kunnen inspireren. Zo zou er een authentieke saamhorigheid kunnen groeien die postmoderne, fragmentariserende filosofieën niet aan de man kunnen brengen. Een nieuwe verbondenheid van binnenuit, want het is onontbeerlijk dat we ‘horizontale’ verbondenheid niet verwarren met de nodige ‘verticale’ verbinding, m.a.w. dat we niet alleen maar een beetje begrip tonen en wat onderhandelen om het gezellig te houden (horizontale of sociale verbondenheid) maar er weer leren te zijn vanuit de verbinding met de/het Ene, de verticale lijn met het transcendente en sacrale, de dimensie die ons als persoon te boven gaat. Of, zoals mijn meditatieleraar zei: rechtop en oprecht, ‘open tussen aarde en hemel’.





Oud zeer

Her en der wordt opgeroepen tot dialoog met salafisten, en zelfs met IS. Maar omdat dialogen gemakkelijk uitdraaien op een woordenstrijd tussen het ene en het andere ‘denkende, willende en emotionele ik’ is het nog maar de vraag, in hoeverre hiervan heil valt te verwachten. Zodra luisteren plaats maakt voor de neiging om een ander te overtuigen begint het eigenlijk al mis te gaan. Dat zien we in alle mogelijke kringen, van de kleinste huiselijke kring tot en met wereldwijde conferenties.
De geschiedenis kent een lange traditie van bekeringsijver, vaak hand in hand gaand met kolonialisatie. In zekere zin krijgt het Westen nu eeuwenlang opgebouwd collectief karma op z’n bordje. Dat we hier inmiddels over van alles en nog wat anders denken dan vroeger neemt, zoals we merken, de herinnering aan de kruistochten en ander oud zeer nog niet weg. Wereldlijke en kerkelijke leiders hebben heel wat op hun geweten - ook ten opzichte van (anders-)gelovigen in eigen contreien, trouwens - en het is tijd om dat ruimhartig toe te geven.

Iyad el-Baghdadi (ex-salafist)
Uitgaande van Naema Tahir’s beknopte samenvatting van de (al dan niet extremistische) moslim-visie op het Westen zou je kunnen zeggen dat waar de gemiddelde islamitische mind te weinig van heeft (zelfstandig, onafhankelijk, persoonlijk denken en voelen, individueel verantwoordelijkheidsgevoel) de doorsnee westerse mind in diezelfde kwaliteiten is doorgeschoten, en dus te eigenzinnig en zelfs van God los is geraakt.
Dat is uiteraard weer de zoveelste stereotypering, want wie anderen martelt is net zo goed van God los en ook het Midden-Oosten kent z’n egoïsten, dictators en uitbuiters; overal waar kennis, macht en inkomen te ongelijk zijn verdeeld ligt het boze burgerschap op de loer. En omgekeerd zijn er in het Westen ook genoeg mensen die nog voornamelijk in een soort groepsbewustzijn verkeren en vanuit een onvolwassen, kwetsbaar persoonlijk slaap/waak-bewustzijn leven.



Vrienden worden

We moeten gewoon allemaal wakker worden en de vraag is, welke prijs we zullen moeten betalen voordat we daar zelfs maar toe bereid zijn. Intussen kunnen we het beste ons voordeel doen met de komst van vluchtelingen naar het Westen: zij bieden ons uitgebreid de kans om te oefenen in naastenliefde en barmhartigheid, en in vrijheid, gelijkheid en broederschap - de waarden die ons eeuwenlang zijn voorgehouden door het traditionele grote westerse Verhaal dat we hier zelf steeds minder geloofwaardig vinden, en, sinds de Franse revolutie, door een tweede Verhaal dat we nog steeds moeten waarmaken.

Overgenomen van Twitter-account Iyad el-Baghdadi
Iyad el-Baghdadi (ex-salafist en ex-jihadi-sympathisant, géén familie van de IS-kalief) had gelijk toen hij in november 2015 na de terreuraanvallen in Parijs een bord door de straten droeg met de tekst ‘Het beste antwoord op IS is vrienden worden met een moslim’. Het is ironisch en misschien ook veelbetekenend dat hij op het idee voor deze actie kwam door een leus op de gevel van een Australische instelling voor geestelijke gezondheid en daklozen in problemen, de door Methodisten opgerichte Parramatta Mission. Zo wordt het Westen dan via ingewikkelde omwegen herinnerd aan de eigen roots. Tot die christelijke wortels behoort het inzicht dat het de zachtmoedigen zijn die ‘het aardrijk zullen beërven’.



Literatuur
Marije van Beek: ‘Word vrienden met een moslim. Dan versla je IS’. Interview met Iyad el-Baghdadi in Trouw, 26 november 2015
Bas Heijne: Nederland, niet langer verbonden. NRC-Handelsblad, 2 januari 2016
Naema Tahir: Probeer te begrijpen wat moslimextremist beweegt. Column in Trouw, 26 november 2015

zondag 15 juli 2012

In Memoriam Hetty Draayer (1917 - 2011)

Een nieuwe mens voor de nieuwe aarde

Hetty Draayer, de Nederlandse meditatieleraar die lichaamsgerichte, genezende meditatie vanuit het kosmisch oog (her)introduceerde als weg tot zelfbewustwording en -verwerkelijking, is op 16 november 2011 overleden op de leeftijd van 94 jaar.

Zij werd als Hetty van Putten geboren op Oost-Java, bij ouders die in opdracht van de zending meewerkten aan de opbouw van het onderwijs aldaar. Vanaf haar vijfde groeide ze verder op in Nederland, maar haar huwelijk met een marine-officier bracht haar later terug naar Nederlands-Indië, zoals het toen nog werd genoemd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ze met haar twee oudste kinderen geïnterneerd in een concentratiekamp van de Japanse bezetters, waar ze mishandeld en gemarteld werd.
'Een voorbereiding op mijn eigenlijke werk', noemde ze deze periode later. 'Ik moest eerst zelf door alle pijn en verdriet gaan om het leed van anderen te kunnen verstaan en verzachten.'

Van kindsbeen af voelde en zag ze veel, zoals de energie van mensen, niet alleen aura's maar bijvoorbeeld ook de straling van organen en chakra's, of een tekort aan doorstroming, blokkades en beginnende ziekte; soms ook beelden van gebeurtenissen in iemands leven die hun schaduw als 't ware vooruit wierpen. Maar lange tijd wilde ze gewoon moeder en onderwijzeres zijn.

Tot ze in het begin van haar vijftiger jaren borstkanker kreeg en 'met zichzelf aan de slag moest'. Zenleraar Karlfried Graf Dürckheim hielp haar bij het verwerken van de ellende uit het jappenkamp en met het verder ontwikkelen van haar gaven, zodat ze zich kon gaan ontplooien als healer en meditatieleraar.
Het zien van haar eigen energie was intussen zeer behulpzaam om de borstkanker door oefening en meditatie te overwinnen, en dit legde tevens de basis voor de meditatieve energie-oefeningen waarmee ze later anderen hielp. Hetty verkreeg ervaringsgewijs een visie op de noodzaak om al ons donker onder ogen te zien, te leren loslaten en te transformeren in licht, zodat we weer een eenheid van lichaam, ziel en geest kunnen zijn.

Tegelijkertijd ontving ze veel inspiratie, licht en kracht vanuit de dimensie die ons als persoon te boven gaat en waarnaar zij altijd verwees als 'de hemel'. Door het waarnemen in zichzelf (innerlijk schouwen) maar ook door onderricht dat ze kreeg, onder andere in de vorm van geïnspireerde dromen, ontvouwde zich een specifieke vorm van ademmeditatie als weg tot genezing, bewustwording en ontwikkeling. 'Een weg tot het nieuwe mens-zijn voor de nieuwe aarde,' noemde Hetty haar benadering ook wel, of kortweg 'een weg tot Christus.'

In 1970 begon Hetty Draayer een praktijk voor genezing en innerlijke ontwikkeling, en met mensen die de door haar aangereikte meditatieve oefeningen ook thuis gingen doen vormde ze meditatiegroepen waarmee ze stilteweekends en, later, retraites van drieëneenhalve dag hield. Dürckheim had gezegd dat ze benaderingen uit Oost en West met elkaar zou verbinden; zelf benadrukte ze dat haar weg eigenlijk van heel oude herkomst is en gebaseerd op oeroude kosmische wetten.

Wie haar werk kent, ziet bijvoorbeeld verwantschap met Indiase en taoïstische yoga/Qi Gong, acupunctuur, de oude Egyptenaren, Kabbala, esoterische christelijke tradities, de soefi's, de Essenen, westerse innerlijke alchemie en de basis van alles, de heilige geometrie. Hetty ging echter niet eclectisch te werk, maakte er geen eigen combinatie of schijnbaar nieuwe uitvinding van maar was heel trouw aan haar innerlijke leiding en dat wat ze zelf verscherpt en verfijnd waarnam. In feite herintroduceerde zij een inwijdingsweg die zijn wortels heeft in de tijd vóór het oude Egypte, China en India.

Open tussen aarde en hemel

Centraal op deze Weg staat steeds het ademen vanuit het 'chi-punt' (drie vingers breed boven het schaambeen, dus nog lager gelegen dan het 'hara-punt') oftewel 'het kosmisch oog', een uitbreiding van dit punt tot 'poort' door het heiligbeen, een opening tussen de ruimte binnen ons lichaam en de wijde ruimte daar omheen. Daarnaast staat het 'aarden' bij de oefeningen voorop, de zorg voor een sterke energetische verbinding van de bekkenbron met de aarde onder onze voeten - om vanuit die verbinding 'open te gaan tussen aarde en hemel'.

Er kwamen niet alleen zoekers en zieken maar ook veel hulpverleners bij Hetty Draayer in de leer, ook werkers in de (reguliere) gezondheidszorg in met name Nederland en Duitsland. In de tachtiger jaren van de afgelopen eeuw stonden haar boeken bij vrijwel elke yogaleraar in de kast - vooral het derde, Chakra's, aura's en energieën - Het licht in ons. Want velen zagen in dat haar weg etages dieper en dus ook hoger ging dan wat men al kende. Je moest er in zekere zin 'aan toe zijn' maar menig docent of therapeut wilde er toch graag iets van in het eigen werk benutten.

Ook geestelijk leraren, zoals mensen die in hun eigen kring als 'meester' werden vereerd, bezochten Hetty in haar praktijk, eerst in Baarn en later in Spa (België) - maar dan wel 's avonds, zodat hun eigen leerlingen het niet zouden merken. Ze bleef er eenvoudig onder, en roem heeft ze nooit gezocht. Aanvragen voor radio- en TV-interviews sloeg ze af, omdat - zoals ze eens zei - 'ik anders nog meer mensen naar me toe krijg die ik toch niet kan helpen'. In die jaren kreeg Hetty met Kerst en oud&nieuw ruim 1000 kaarten van cliënten en leerlingen, die ze altijd beantwoordde.

Over de innerlijke Weg vanuit het 'kosmisch oog' - de grote poort tussen de ruimte binnen ons lichaam en de ruimte daaromheen - schreef Hetty Draayer een vijftal boeken: Vind jezelf door meditatie (1978), Open tussen aarde en hemel (1981), Chakra's, aura's en energieën (1983), Naar nieuwe ruimten van bewustzijn (1991) en Meditatie, energie en bewustzijn (2001). Daarnaast heeft ze meer dan duizend geluidsopnames van groepsoefeningen en een veelvoud daarvan aan individuele opnames nagelaten, waarmee door leerlingen - en leerlingen van leerlingen - nog steeds meditatief wordt geoefend.

De draagwijdte van haar werk en visie zal waarschijnlijk pas over tientallen jaren, of een paar honderd, echt duidelijk worden. Hetty baseerde zich weliswaar op oude tradities maar stond als ingewijde in de grote 'traditieloze traditie' en was haar tijd ook ver vooruit: ze integreerde dimensies van bewustzijn/energie en menselijke mogelijkheden die nu in de meeste benaderingen voor bewust- en heelwording nog buiten beschouwing blijven.

Nu al zijn heel wat alternatieve hulpverleners direct of indirect schatplichtig aan het fundament dat zij heeft gelegd voor de integratie van psycho-energetische therapie en (adem-)meditatie. En zoals veel huidige vormen van westerse psychotherapie hun wortels hebben in Freuds psycho-analyse, zullen waarschijnlijk in de toekomst diverse elementen uit het werk van Hetty Draayer te herkennen zijn in allerlei benaderingen voor heel- en eenwording.

In zekere zin wordt haar werk niet alleen door haar leerlingen voortgezet. Maar hoe dan ook, weinig mensen hebben zich zozeer gegeven als zij heeft gedaan - en dat zal nog generaties lang doorwerken. Zelf zei ze eens: 'Als we sterven, gaat onze vlam van hand tot hand, verder tot in de oneindigheid. Mensen die innerlijk licht in zich dragen, sterven nooit - omdat hun licht een kettingreactie op gang heeft gebracht. Hun vlam heeft andere vlammen aangestoken.'

zondag 26 april 2009

Inhoudsopgave van het boek 'Spiritualiteit en energie: de kundalini-kwestie'

Voor mensen die de aanschaf van dit boek overwegen, volgt hieronder de inhoudsopgave van Spiritualiteit en energie: de kundalini-kwestie, geschreven door Peter Kampschuur en Ad van Beckhoven en in 2009 uitgegeven door Synthese, Rotterdam (www.synthese.ws)
Naast 15 persoonlijke verhalen over kundalini-ervaringen en vormen van psycho-energetische ontregeling bevat het boek de volgende hoofdstukken.

Zo beneden, zo boven; zo boven, zo beneden - Het Smaragden Tablet van Hermes Trismegistus

Inleiding
Bizarre verstoringen - 'Kundalini' als zoekterm - Toenemende verwarring - Voor wie is dit boek?

1. Alles is energie
De dans van pixels - Het lichaam als antennesysteem - Het bewustzijn is de ruimte

2. De scheppende oerkracht
Wat is Kundalini? - Het vrouwelijk aspect van de Ene

3. Het circuleren van de Kundalini
Yin en yang in onszelf - De microkosmische omloop - Energie en bewustzijnsverruiming - De 'reis door de chakra's' - De verlichting van het lichaam - Drie manieren waarop de energie moet stralen

4. Hoe onze energie ontregeld raakt
Energie en levensloop - Drie lagen van energie - Vecht- en vluchtreacties - Het grondprobleem: zelfopvattingen - Fysieke trauma's - De energiegolf door de wervelkolom - Shock - Bijna dood-ervaringen

5. Het 'wekken' van de Kundalini
De noodzaak van 'aarden' - Ontaardende benaderingen - Het opwekken van uittreding - De zucht naar 'transcendentie' - Drie risicofactoren - Energie-overdracht ('shaktipat')

6. Kundalini- en andere yoga
De neiging tot wereldverzaking - 'Non-duale' filosofie - Tantra - Taoïstische yoga

7. Tekens van verhoogde kundalini-activiteit
Vier relatieve verschillen tussen algemene- en kundalini-ontregelingen - Ervaringen die het gevolg kunnen zijn van verhoogde kundalini-activiteit - A. Ervaringen die in het algemeen als negatief worden gewaardeerd of tot gemengde gevoelens leiden - B. Ervaringen die in het algemeen neutraal of positief worden gewaardeerd maar soms moeilijk te integreren zijn in het dagelijks leven en je ook zo plotseling kunnen overkomen dat je er toch door van slag raakt8. Verklaringen voor enige symptomen
Schokken, 'kriya's', lichamelijke onrust en bewegingsdrang - jeuk, pijntjes in de huid - gevoelloosheid - elektrische verschijnselen - koude voeten - slaapstoornissen - interne geluiden - interne lichtflitsen - spontane veranderingen van lichaamshouding - stemmen horen - psychokinetische/telekinetische effecten

9. Depersonalisatie en derealisatie

Scheiding tussen lichaam en geest - Het verdeelde zelf - Zelfrealisatie en derealisatie

10. Verhoogde gevoeligheid
Gevoeligheid verrijkt je leven - Dieper leren loslaten

11. Manische psychosen en depressiviteit
De energetische kant van psychosen - Het 'uitwaaieren' door het schedeldak - De driehoeksverhouding psychose-depressie-uitputting - Het debacle na een psychose

12. Psychose of spirituele crisis?
Psychose versus verlichting - Podvolls 'eilanden van helderheid' - Psychose als kundaliniproces - De dubbelrol van medicatie - Gif dat geneest?

13. Eenzijdige of holistische ontwikkeling
De chakra's als 'holistisch' systeem - Eenzijdige benadrukking van chakra's - Accentuering van 'hogere' chakra's - Het 'boekenkastmodel' en het concentrische model - Alle lagen integreren

14. De centrale rol van de ademhaling
Het opnemen van levensneergie via de ademhaling - Het drievoudige eenwordingsproces - Verbinding met het hogere Zelf - De manier waarop je ademt

15. Centeren en aarden
Het hara-punt - Het chi-punt - Jezelf als energie beleven - Je centrum verbinden met de aarde - De aarde aannemen

16. De vereniging van hemel en aarde
De polariteit van onze energiehuishouding - Het 8ste en het 9de chakra - Opengaan tussen aarde en hemel - Het kosmisch oog en de graal in onszelf

17. Innerlijke leiding ontvangen
Een instrument van 'Boven' zijn - Luisteren naar je innerlijke stem - 'Karma-vrij' leren leven - Als er niet gebeurt wat je wilt...

18. De geestelijke geboorte
Het essentiële alchemistische geheim - De verwekking van het Christuskind - Mannelijke en vrouwelijke energieën - De tweede versmelting van energieën - Persoonlijk en kosmisch bewustzijn

19. Respect voor het sacrale
We hoeven geen heilige te worden

20. Hints en aanbevelingen
1. Aarden: houd je voeten warm en 'open' - 2. Raadpleeg je huisarts - 3. Zorg voor een goede nachtrust - 4. Herstel de doorstroming van je energiebanen - 5. Leer de juiste ademhaling - 6. Houd je rug recht - 7. Leer jezelf begrijpen - De rode draad: dieper loslaten

Oproep - Literatuur - Adressen - Over de auteurs 
Update bij de derde druk: risicofactoren -groepen 
SteekwoordenregisterPeter Kampschuur en Ad van Beckhoven, Spiritualiteit en energie: de kundalini-kwestie. Uitg. Synthese, Rotterdam, 3e druk 2016. Prijs: € 22,95. Verkrijgbaar via elke boekhandel, via www.synthese.ws of, desgewenst met 'persoonlijke opdracht' van één van de auteurs, via een mailtje aan peter.kampschuur@kpnmail.nl

zaterdag 28 maart 2009

ADAM, BOEDDHA EN CHRISTUS


De A is van Adam, het onbewust geworden Zelf. De B is van Boeddha, de mens die weer tot bewustzijn is gekomen. De C is van Christus, die woont in zijn mystieke hart. Zo worden we getransformeerd tot de ‘nieuwe mens’ die de vereniging van hemel en aarde bewust belichaamt.

Een van de meest teleurstellende uitspraken van paus Johannes Paulus II vond ik zijn opmerking over het verschil tussen boeddhisme en christendom. Het is maar goed dat ik niet katholiek ben opgevoed, anders had ik misschien geloofd in de pauselijke onfeilbaarheid toen hij het boeddhisme bestempelde als een in wezen egocentrische wereldbeschouwing. Als ik het me goed herinner, meende deze Heilige Vader dat het boeddhisme toch vooral is gericht op persoonlijke verlossing. In het christendom zou het daarentegen gaan om verlossing voor allen die geloven in Christus als middelaar van het hemelse heil – een collectieve bevrijding.
Theologen en godsdienstwetenschappers zouden een vette kluif kunnen hebben aan zulke formuleringen… Is de hemel alleen toegankelijk voor wie gelooft? En zo ja, is er dan bij zo’n collectieve heilsverwachting niet sprake van een soort groepsegoïsme? – lijken dan bijvoorbeeld relevante vragen.
Naar mijn gevoel zijn christendom en boeddhisme twee benaderingen van één en dezelfde transformatie die zich in ons kan voltrekken. Je zou bijna zeggen dat het twee ‘wegen naar Rome’ zijn, maar die uitdrukking weerspiegelt hetzelfde kerkelijk chauvinisme als dat waarvan we hierboven een voorbeeld zagen. Ja, er zijn vele wegen naar Rome – maar ook vele die daaromheen of ver vandaan leiden. Persoonlijk zou ik de - eveneens vele – ‘wegen naar Jeruzalem’ een mooiere metafoor vinden. Maar het mag het ook Mekka of Dharamsala zijn.
U begrijpt: als christelijk-boeddhistisch moslim denk ik hier heel vrijelijk over. Eerlijk gezegd ben ik eigenlijk gewoon een ouwe taoïst. Met een knipoog naar de oude Grieken, weliswaar – vanwege het Panta Rhei, ‘alles stroomt’. Dat vonden we destijds in het taoïsme ook al: je hebt yin, er is yang, en dat beweegt maar, en stroomt naar hartelust in Tao, de Eenheid.
Relativeren is een grootse kunst – laten komen en laten gaan, als eb en vloed in de kosmische zee. Zijn er wel verschillen om je over op te winden? Of winden we ons alleen maar op over benardheden en benauwenissen, uit angst voor de grote overeenkomst die alle verschillen doordringt? Ooit had ik een dominee op bezoek, althans een theologisch geschoold medewerker van een omroep. Bij binnenkomst in mijn werkkamer zag hij zowel een Boeddhabeeld als een beeld van Jezus Christus als de opgestane Heer, met twee vingers van zijn ene hand wijzend op zijn mystieke hart en zegenend met zijn andere hand. Toen ik zag dat mijn bezoeker zijn wenkbrauwen optrok, vroeg ik: ‘Je dacht toch niet dat ze op dàt niveau onenigheid hadden, hè?’ Hij glimlachte als een theoloog met kiespijn.
Het mystieke hart
Hieronder zou ik willen proberen, zo kort mogelijk aan te geven waarom het volgens mij in boeddhisme en christendom om één en dezelfde transformatie gaat. Een van de grootste verdiensten van de theosofie is, wat mij betreft, dat ditzelfde inzicht daarin wordt gekoesterd: de Christus in ons is niets of niemand anders dan de Boeddha in ons.
Christusbewustzijn is hetzelfde als Boeddhabewustzijn, het bewustzijn van de of het Ene in ieder van ons, en de liefde-wijsheid die daardoor in en vanuit ons mystieke hart straalt. Als we daar dan toch iets over zeggen, maakt zelfs niet uit of je ‘het’ of ‘de’ Ene zegt. Het gaat om het ene Wezen, het ene Zijn (of voor mijn part het ene niet-zijn) of de ene Aanwezigheid; de ene Levende of het ene Leven. Een mooie samenvattende formulering is het boeddhistische begrip ‘stralende Leegte’, dat wil zeggen: de Leegte die lééft – er bevindt zich dus energie in de Leegte.
Wat is er nu nodig om – welke van de ‘vele wegen’ we ook gaan - tot dit bewustzijn te komen? De energie, de straling, het licht van dit bewustzijn zou toegang moeten kunnen vinden tot het mystieke of geestelijke hart, in de ruimte van de borstkas. Dat is alleen mogelijk als die ruimte niet wordt bezet door het ego - het denkende, emotionele en willende ‘ik’. Daarom moeten we onszelf (in de zin van het kleine ‘ik’) diep loslaten.
De Kerk vertelt ons niet waar de naam ‘Christus’ eigenlijk voor staat, maar in de esoterie, de inwijdingsleer, is dit een andere naam voor het ‘hogere Zelf’ dat pas diep in het lichaam kan doordringen als het ‘ik’ niet meer tussen beide komt. Jezus Christus is dus iemand die niet vanuit zijn ‘ik’ maar vanuit zijn hogere Zelf leeft, en op de keper beschouwd is dat het ene, universele hogere Zelf in ieder van ons.
Niet ik maar Christus in mij
Als volwassen persoon, als mens tussen de mensen, bevinden we ons in de positie van Adam na het vertrek uit het paradijs. De naam ‘Adam’ heeft een sterke verwantschap met het woord ‘adem’. Adam is ‘de ademende’, degene die ademt (of datgene wat ademt). ‘Ademen’ is in het Duits ‘atmen’. De oorsprong van deze termen ligt in het Sanskriet-woord Atman. Dit betekent ‘Levensadem’, de universele Geest in de natuur en in de mens, de goddelijke Monade. Adam of Atman is dus onze oorspronkelijke individualiteit als geheel.
In feite ademen we niet zelf, d.w.z. niet ik adem, ik word geademd – ‘het’ ademt in mij en door me heen. Het is niet het 'ik' maar het eigenlijke Zelf dat ademt, tenzij het 'ik' de ademhaling overneemt, een vertekening aanbrengt in de manier waarop de ademhaling verloopt. Maar een geheel natuurlijke adembeweging gaat van-Zelf. Van onze oorspronkelijke aard als ‘dat wat ademt’ zijn we ons niet bewust. We identificeren ons min of meer met een beperkt en relatief zelfbeeld, een (voorlopige) veronderstelling omtrent onszelf, zoals de jungiaanse psychiater C.J. Schuurman zei. Daardoor zijn we bij wijze van spreken een onbewuste versie van Atman.
Naar de bewust levende, getransformeerde mens wordt ook wel verwezen als ‘Adam Kadmon’, de Hemelse Mens. Dit is de volledige mens, in wiens mystieke hart ‘het hemelse bewustzijn’ woont – een oude Chinese term voor het hogere Zelf. Naast het loslaten van het ‘ik’ is er ook bewustwording van dat Zelf nodig, een nieuw bewustzijn van onze Boeddhanatuur, oftewel de Christus in ons. Zo’n bewuste Adam kan zeggen: ‘Niet ik leef, maar Christus in mij’.
Zowel in het boeddhisme als in het christendom wordt beseft dat het oneigenlijke ‘ik’ de nodige transformatie niet kan bewerkstelligen. Om het Christus- of Boeddhabewustzijn in en vanuit ons te laten stralen, moet dat ‘ik’ immers worden losgelaten. Toch is er ook een zich bewustzijn van het ware Zelf nodig. Dat is een lastige paradox. In het christendom wordt deze paradox ontweken door pleidooien voor geloof en dienstbaarheid, zodat we een instrument in Gods dienst kunnen worden. En misschien breekt dan ooit dat besef van ‘niet ik maar Christus in mij’ door, en het zien van Christus in alle medemensen.
Ontwaken en ontvangen
In het boeddhisme ligt het accent op bewustwording, wakker worden, ontwaken. De naam ‘Boeddha’ betekent ‘Ontwaakte’. Meditatieve inkeer heeft hier een grotere plaats dan in het christendom, al kun je van beide benaderingen zeggen dat ze een uiterlijke en een innerlijke traditie hebben. Pas in de esoterische of mystieke takken van beide tradities komen meditatie en transformatie tot hun recht.
We zouden in dit verband kunnen spreken van twee principes die in ons werkzaam zijn: het ‘Boeddha-beginsel’ en de ‘Christus-impuls’. Het Boeddha-beginsel betreft het bewust worden: we moeten tot waarachtig bewust zijn komen, dat is het bewustzijn van het hogere Zelf. Voor dit ontwaken is een harmonieuze energiehuishouding in- en om het lichaam nodig, een transparantie om te ontvangen vanuit de dimensie die ons als mens te boven gaat. Je zou het een ‘ontspannen staat van paraatheid’ kunnen noemen.
Dan komt de Christusimpuls tot zijn recht: het afdalen of indalen van dat hogere Zelf - het licht, de kracht en de inspiratie van het hemelse bewustzijn. Hiertoe moeten de ruimte van het hoofd, de ‘tunnel’ van nek, hals en keel en de ruimte van de borstkas vrij zijn van ego-denken, spanningen, verkrampingen en emotionele brokken. Het Boeddhabeginsel en de Christusimpuls zijn niet met elkaar in strijd maar complementair – ze vullen elkaar aan. Vanuit beide invalshoeken gaat het erom dat het kleine ‘ik’ plaatsmaakt voor het hogere Zelf. Het Boeddhabeginsel behelst het ontwaken tot het hemelse bewustzijn en de Christusimpuls het intreden van datzelfde bewustzijn. We kunnen ontwaken om te ontvangen.
De geestelijke geboorte
Het gaat in wezen om een alchemistisch proces. In het Westen zou dat veel algemener bekend zijn als de Kerk niet op gespannen voet was komen te staan met de innerlijke alchemie. De beschrijving van het proces als ‘de transformatie van lood in goud’ slaat op het transformeren van de ruwe, ongezuiverde, oorspronkelijke levenskracht in ons bekken – inclusief de seksuele energie. In het transformatieproces wordt deze kracht gezuiverd en verfijnd, tot circulatie gebracht door alle energiecentra (chakra’s) en -verbindingen (meridianen, nadi’s) en verbonden met kosmische energie. Deze arbeid van de innerlijke alchemist bereidt lichaam, ziel en geest voor op de tweede of geestelijke geboorte.
Niet alleen in het christendom maar ook in taoïsme en boeddhisme is de symboliek van ‘de nieuwe geboorte’ bekend. Aan de geboorte (het zich openbaren) van het Christuskind in ons mystieke hart gaat een bevruchting vooraf, die net als bij een kind van vlees en bloed in het bekken plaatsvindt – maar dan op een ander, innerlijk, energetisch niveau. Het is de versmelting van ‘vrouwelijke’ en ‘mannelijke’ energie, persoonlijke- en kosmische energie, yin en yang, de helende krachten van aarde en hemel. Deze eerste versmelting in het bekken is het begin van een heel proces van loslaten, zuiveren, verfijnen en bewust worden. In de loop van dat proces krijgen de gezuiverde energieën van beneden en van boven toegang tot het mystieke hart, waar het ‘alchymische huwelijk’ plaatsvindt: de tweede versmelting, op een hoger, subtieler niveau. Uit de vereniging van het mannelijke en vrouwelijke wordt het ‘kind’ geboren.
Het alchemistische geheim
De symboliek van de geboorte van het Christuskind is veel mooier dan de Kerk ons leert. En ook ouder en universeler dan de Kerk blijkbaar weet. Het Chinese boeddhisme spreekt bijvoorbeeld van ‘het huwelijk van Kan en Li’ (maan en zon). In zijn commentaar op het oude Chinese geschrift Het geheim van de gouden bloem verduidelijkt Richard Wilhelm: ‘Het huwelijk van Kan en Li is de geheime magische gebeurtenis, die het kind, de nieuwe mens verwekt’.
Het lijkt me de hoogste tijd om een lastige vraag aan de orde te stellen: verstaat de Kerk haar eigen symboliek nog wel, kent zij haar eigen alchemistische geheim nog? Misschien kan het christendom dat geheim via een bevruchting door het boeddhisme terugvinden... De afbeeldingen van de Madonna met het Kind op haar arm zouden wellicht moeten plaatsmaken voor de zeldzame beelden van Maria met het Christuskind in zichzelf – niet in haar bekken maar (al bijna) in de ruimte van haar mystieke hart. Die afbeeldingen zijn er, en vertonen een frappante overeenkomst met bijvoorbeeld bepaalde Chinees-boeddhistische tekeningen die verwijzen naar dezelfde nieuwe geboorte. Op de foto hiernaast zien we Maria met opgeheven armen en handen, als om te benadrukken dat ze dit Kind niet kan aanraken.
De kunstenaar die dit prachtige altaarstuk heeft geschilderd, moet diep doordrongen zijn geweest van de symbolische waarde ervan. Maar zouden de priesters en kerkbezoekers die hier al eeuwenlang naar kijken óók beseffen dat dit schilderij naar een innerlijke transformatie verwijst? Het is de transformatie van de oude, onbewuste Adam in Adam Kadmon, de nieuwe mens die – in de woorden van zenleraar Karlfried Graf Dürckheim - ‘bewust in zijn Wezen is verankerd en in staat is, hieraan in vrijheid uitdrukking te geven in de wereld, door de manier waarop hij van binnenuit weet, vormgeeft en liefheeft.’

woensdag 25 maart 2009

De drievoudige eenwording in het Thomas-evangelie


Boven en beneden, binnen en buiten
en het mannelijke en het vrouwelijke in ons

Er zijn al vele publicaties aan het Thomas-evangelie gewijd. Maar daarin is nog maar zelden een helder verband gelegd tussen de ‘geheime woorden’ en het alchemistische transformatieproces van lichaam, ziel en geest als één geheel. Tegen de achtergrond van de lichaamsgerichte, meditatieve oefeningen van een hedendaags leraar als Hetty Draayer wordt veel duidelijker waarop dit evangelie doelt met de eenwording van ‘boven’ en ‘beneden’, ‘binnen’ en ‘buiten’ en het mannelijke en het vrouwelijke in onszelf.

Eén van de religieuze geschriften waarin gesproken wordt over de eenwording van het mannelijke en het vrouwelijke in ons, is het Evangelie naar de beschrijving van Thomas, een manuscript dat deel uitmaakte van de papyri die in 1945 werden ontdekt bij Nag Hammadi in het Zuiden van Egypte. Sindsdien is er over dit Thomasevangelie al veel geschreven; beurtelings is het ‘gnostisch’, ‘hermetisch’ en ‘esoterisch’ genoemd. Niemand schijnt het precies in een bepaalde traditie te kunnen plaatsen; duidelijk is alleen dat Jezus uit dit evangelie naar voren komt als een groot ingewijde en leraar. Waren de ‘geheime woorden van Jezus de Levende’ (zoals ze aan het begin van het geschrift worden genoemd) aan zijn leerlingen van destijds besteed? En komen ze nu bij ons aan? Het lijkt erop dat zijn leer vaak verkeerd- en nooit in volle omvang begrepen wordt.

Op verschillende plaatsen in het Thomas-evangelie wordt gesteld, hoe belangrijk het is om een ‘eenling’ te zijn. Dat begrip valt op uiteenlopende wijzen te interpreteren; bijvoorbeeld als een pleidooi voor de moed om werkelijk je echte eigen weg te gaan, ook als die je door eenzaamheid voert. Maar dat houdt dan tegelijk een weg tot eenwording in, een ontwikkeling die leidt tot heel- en eenheid van lichaam, ziel en geest.

In zijn vorig jaar verschenen boek Schatgraven in Thomas – De oorspronkelijke betekenis van het Thomas-evangelie wijst Bram Moerland erop dat sommige spirituele tradities zich eenzijdig toeleggen op ‘transpersoonlijk’ eenheidsbewustzijn, ‘alsof het alleen daarom zou gaan, en alsof alles we wat met ons tijdelijk bestaan te maken zou hebben moeten loslaten, of zelfs verachten.’ Het bijzondere van het Thomas-evangelie is volgens Moerland, dat het hierin gaat om de vereniging van ons lichamelijke en tijdelijke bestaan met het tijdloze en allesomvattende Christusbewustzijn.

Daartoe moeten, zo kunnen we ook uit het Thomas-evangelie afleiden, drie belangrijke tegenstellingen in ons met elkaar worden verzoend, tot éénheid gebracht worden: ‘boven’ en ‘beneden’, ‘binnen’ en ‘buiten’ en het mannelijke en het vrouwelijke in ons. Werkelijke eenwording omvat deze drie aspecten tegelijk. We kunnen in ons aardse leven niet werkelijk één zijn zonder ons lichaam daarin te betrekken. Eén zijn is geen eenzijdig innerlijke of voorbijgaande mystieke ervaring maar omvat de tegenstelling ‘binnen-buiten’. Om deze echte eenwording te kunnen ervaren, moeten we door een alchemistisch transformatieproces gaan, een proces van lichaam, ziel en geest. Het fysieke lichaam is onze materiële kant, de ziel is van subtiele energie en de geest is het bewustzijn, datgene wat alles waarneemt. Als de tegenstelling ‘binnen-buiten’ wordt opgeheven, leidt dit tot het besef dat het bewustzijn de ruimte is. Datgene wat alles waarneemt is één en hetzelfde als datgene waarin alles gebeurt: de ruimte. Eenwording betekent dat we ons deel voelen van de ene ruimte, daar één mee zijn. Het is een ervaring aan den lijve, want we voelen ons dan geen ‘huidomsloten ik’. We zitten niet in ons lichaam gevangen, de huid is geen grens om ons heen als ook de ruimte binnen het lichaam wordt ervaren als één met de ruimte daar wijd omheen.

Als we Thomas mogen geloven, heeft Jezus dat zelf ook zo ervaren tijdens zijn leven op aarde. De duidelijkste verwijzing naar de drievoudige eenwording ‘boven-beneden’/‘binnen-buiten’/‘mannelijk-vrouwelijk’ is te vinden in ‘logion’ 22:

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden. Hij zei tegen zijn discipelen: Deze kleine kinderen die gezoogd worden, zijn als zij die het Koninkrijk binnengaan.

Zij zeiden tegen hem: Zullen we het Koninkrijk binnengaan als we kleine kinderen zijn?

Jezus zei tegen hen: Als je de twee tot één maakt, en als je het buitenste maakt als het binnenste, en het bovenste als het onderste, en als je het mannelijke en het vrouwelijke één maakt zodat het mannelijke niet langer mannelijk is en het vrouwelijke niet langer vrouwelijk; dan maak je ogen in plaats van een oog en een hand in de plaats van een hand en een voet in de plaats van een voet, en een beeld in de plaats van een beeld; dan zul je het Koninkrijk binnengaan.

In de zestiger jaren van de vorige eeuw schreef Barend van der Meer in zijn commentaar op het Thomas-evangelie naar aanleiding van dit logion: “Het is het geheim van de Hermafrodiet, de androgyne oer-mens of de antropos van het gnosticisme.” Hij verwijst dan via Jung naar een oud Indiaas geschrift dat van deze androgyne oermens zegt: “Hij was zo groot als een man en vrouw die elkander omhelsd hielden. Dit, zijn zelf (de Atman), verdeelde hij in twee delen: daaruit ontstonden man en vrouw.”

Als we deze stelling omkeren, betekent dit dat we nog niet echt samenvallen met onze Atman, ons ware Zelf, zolang we ons nog identificeren met ons man- dan wel vrouw-zijn. Dat is immers toch nog een deel van onze eigenlijke identiteit. Het mannelijke en het vrouwelijke in ons moeten één worden en Barend van der Meer verwijst in dit verband naar de ‘mystieke bruiloft’, het ‘chymisch huwelijk’ oftewel het verlossende bewustzijn waarin niet alleen déze twee kanten van ons zich verenigen, maar ook de tegenstellingen ‘boven-beneden’ en ‘binnen-buiten’. Precies zoals logion 22 van het Thomas-evangelie die ook in één adem noemt.

Yin, yang en Tao

Als ik terugblik op mijn persoonlijke levensloop tot nu toe, merk ik dat deze thematiek me al vanaf mijn puberteit heeft aangesproken. Ik werd me toen bewust van een zeker onbehagen in de identificatie met de mannelijke rol die me werd opgedrongen. Voor de grote spiegel in de slaapkamer van mijn ouders experimenteerde ik soms met kleren van mijn moeder, om te zien of ik me ook op geloofwaardige wijze als meisje of vrouw kon uitdossen. Maar er zat niets anders op dan een man te worden, al ervoer ik dat nog zozeer als een beperking van mijn innerlijke zelf. Ik heb nu eenmaal een mannelijk lichaam en daarin voel ik me trouwens ook prima thuis. Maar ik voel me in de eerste plaats mèns, niet in de eerste plaats màn. Wat me aan het behandeld worden als een man het meest stoort, is dat er een inperking van je gevoelsleven bij deze ‘sekse-identiteit’ schijnt te horen.

Op mijn 16e kwam ik, via een boekje van Jef Last over het taoïsme, in aanraking met de begrippen yin, yang en Tao. Deze termen spraken me onmiddellijk aan, alsof ik ze al gekend had maar een beetje vergeten was. De relativiteit van het mannelijke en het vrouwelijke, en de harmonie van beide in onszelf, komen in het taoïsme ook aan de orde. Het z.g. ‘yin-yang-teken’ werd mijn symbool, een embleem voor mijn innerlijke identiteit. Naar mijn gevoel kwam ik hiermee op een spoor dat me verder bracht dan mijn christelijke opvoeding, hoewel ik geen behoefte had om me daartegen af te zetten.

Het gevoel van die innerlijkheid ben ik gelukkig nooit helemaal verloren. Dwars door alle identificaties die me werden aangeboden – bijvoorbeeld op school, tijdens mijn studie, in m’n werk, als ‘wederhelft’ van achtereenvolgende partners – bleef ik het gevoel houden dat ik dit of dat niet wàs, dat het in zekere zin toch rollen waren die ik overigens met plezier vervulde. Maar wie of wat ik dan wèl was, wist ik ook niet. Zittend voor de grote spiegel boven de kaptafel van mijn moeder kwam ik tot het inzicht dat ik daarin weliswaar mijn buitenkant zag, maar ‘zelf’ onzichtbaar ben. Het klinkt misschien overdreven maar voor mij was het een wezenlijke ontdekking.

Geleidelijk aan werd ik, min of meer tegen wil en dank, een man. Al denken we nog zo relativerend over het een en ander, ons lichaam is kennelijk toch heel bepalend voor ons identiteitsgevoel. We worden als man c.q. vrouw benaderd en gaan ons daarnaar gedragen. En al identificeer je jezelf niet met je geslacht, je doet dat elke ander wèl. Treffend voorbeeld daarvan is dat je van iemand die je eenmaal hebt ontmoet en gesproken, vrijwel àlles kunt vergeten: hoe die ander er uitzag, hoe die persoon heette, waar je deze medemens ontmoette, enz. enz – behalve het geslacht van die ander. Altijd onthouden we, of ’t een man of een vrouw was.

Zou dit ‘geslachtsbesef’ misschien in ons lichaam zijn geprogrammeerd, zou het in onze genen zijn gebakken, of in de ‘supra-chiasmatische kern’ in de hersenen? Of zou het erom gaan dat er in ieders lijf mannelijke en vrouwelijke krachten, yang- en yin-energieën aanwezig zijn en hangt het van de balans tussen die twee af, hoe we ons voelen, waarop we gericht zijn en waarmee we ons identificeren?

Innerlijk lichaam

In beide gevallen wordt het gevoel dat je man of vrouw bent, kennelijk bepaald door ons lichaam en onze energiehuishouding daarin en -omheen. Zouden we tot dis-identificatie willen komen, tot het loslaten van alle ‘deel-identiteiten’ om onze ware of diepste identiteit te vinden, dan moeten ons lichaam en energieveld worden betrokken in dit proces van loslaten en jezelf transformeren.

Naar mijn gevoel is dat het ook, waar logion 22 van het Thomasevangelie op duidt. Het wordt niet precies zo gezegd – waarschijnlijk noemt de auteur de woorden van Jezus daarom ‘geheim’ - maar door mijn persoonlijke ervaring met lichaamsgerichte, genezende meditatie ben ik ervan overtuigd geraakt dat de formuleringen in logion 22 en sommige andere delen van het Thomasevangelie heel lichamelijk zijn bedoeld. Niet dat de strekking zich tot het fysieke lichaam zou beperken; het lichaam komt in dit evangelie naar voren als deel van de eenheid ‘lichaam-ziel-geest’, als onderdeel van ons multidimensionele wezen.

Want wie spreekt over ‘boven en beneden’ en over ‘binnen en buiten’ kan dat alleen doen vanuit een bepaalde plaats waar hij of zij is en de dingen beschouwt: een midden dat zich tussen boven en beneden in bevindt – in het lichaam dat op de aarde en onder de hemel staat. Vanuit ditzelfde lichaam kun je een onderscheid maken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, maar ook ervaren dat de huid geen grens om je heen is, zodat de ruimte binnen je lichaam en die daar omheen één zijn.

Jos Stollman hanteert in zijn Thomas-vertaling zelfs de termen ‘binnenkant’ en ‘buitenkant’ in plaats van ‘binnen’ en ‘buiten’. Hij legt e.e.a. uit als een oproep om heel te zijn, totaal, zonder uiterlijke schijn – wees ‘naar buiten toe’ zoals je ‘van binnen’ bent, een soort psychologische interpretatie. Naar mijn gevoel hoort deze kant duidelijk bij het verhaal maar dat neemt niet weg dat Jezus zich in ‘Thomas’ kennelijk heel lichamelijk uitdrukte.

Bovendien gaat logion 22 verder met: “Dan maak je ogen in plaats van een oog en een hand in de plaats van een hand, en een voet in de plaats van een voet….” Volgens Van der Meer wil dit zeggen dat de mens zich een nieuw lichaam schept: “Er wordt werkelijk een nieuw lichaam geboren dat zijn zetel heeft in het aardse lichaam. Het aardse lichaam wordt tot stoffelijk omhulsel van het geestelijk lichaam.” (….) “Het innerlijk lichaam moet gevoeld worden, de geestelijke adem, de verborgen oer-eigen innerlijkheid.”

De rechter- en de linkerhelft

Jos Stollman duidt dezelfde passage als een oproep tot een nieuw waarnemen. Zo interpreteert hij de verwijzing naar andere ogen, andere handen en voeten – als een hint om te komen tot ‘een totaal vernieuwde visie op de werkelijkheid: een beeld in plaats van een beeld. Een totale, diep ingrijpende transformatie, dat is het binnengaan in het Koninkrijk,’ aldus Stollman in zijn boek Zenmeester Jezus.

Naar mijn gevoel gaat het hier echter niet alleen om een ander waarnemen maar om een transformatie die zo diep gaat dat ook het fysieke en het etherische lichaam mee veranderen. Een transformatie tot in elke cel van ons lijf en tot in elke trilling van onze aura’s – de meerdere dimensies van ons zijn. Misschien interpreteert ieder het Thomas-evangelie tegen de achtergrond van de spirituele traditie waarin hij of zij zelf staat: voor Jos Stollman is dat Zen, voor mij de helende ademmeditatie van Hetty Draayer, waarbij het gaat om het transformatieproces van lichaam, ziel en geest als één geheel.

Maar hoe zit het dan met de eenwording van het mannelijke en het vrouwelijke waardoor, zoals logion 22 stelt, ‘het mannelijke niet langer mannelijk is en het vrouwelijke niet langer vrouwelijk’? Energetisch gesproken gaat het hierbij om de balans en harmonie van yang en yin, en als we dit betrekken op het fysieke lichaam gaat het om de eenwording van de rechter- en linker lichaamshelft. Ons lichaam heeft aan weerskanten van de wervelkolom een mannelijk-actieve kant (rechts, yang) en een vrouwelijke gevoelskant (yin, links). Verreweg de meeste mensen leven meer in één van beide lichaamshelften. In het zien, het visueel waarnemen van de werkelijkheid, ligt het accent bij vrijwel iedereen ook in één van beide ogen. We zijn dus veelal meer aanwezig in één van beide lichaamshelften, en kijken vooral met één oog – we zijn vaak maar half mens!

Dit betekent dat niet alleen ‘boven’ en ‘beneden’ en ‘binnen’ en ‘buiten’ één moeten worden, maar óók ‘links’ en ‘rechts’. Als ons transformatieproces zich in slechts één lichaamshelft, één oog en één hersenhelft zou voltrekken, worden we niet werkelijk een eenheid. We zouden dan trouwens ook met maar één been stevig op de grond staan. Mijns inziens worden juist daarom deze drie paren tegenstellingen in logion 22 sámen genoemd: boven-beneden, binnen-buiten, en mannelijk-vrouwelijk.

Ons hele lichaam moet transparant, doorlaatbaar worden voor dat geestelijke- of innerlijke lichaam, dat onder nog verscheidene andere namen bekend staat, zoals ‘opstandingslichaam’ ‘lichtlichaam’ of ‘diamant-lichaam’. Hiertoe moet spirituele energie – licht van ‘boven’ - door beide lichaamshelften naar ‘beneden’ - naar de aarde - kunnen stromen en niet slechts aan één kant van de verticale middenlijn. Door de verbinding van ‘hemelse’ en ‘aardse’ energieën in ons groeit dat opstandingslichaam, als transformatie van de fysieke, etherische, astrale, mentale en spirituele laag van bewustzijn en energie.

Zon en maan

De kracht die ons kan helpen om rechts en links tot eenheid te brengen, wordt wel ‘het witte Christuslicht’ genoemd, en ook ‘zonne-energie’. Hetty Draayer heeft meditatieve oefeningen aangereikt waardoor je je hiervoor kunt openstellen op zo’n wijze dat je niet alleen in verticale richting maar ook horizontaal doorstraald wordt, van rechts naar links. Het is een hele weg te gaan, een innerlijke weg die ons niet alleen in contact met ons licht brengt maar ook met al het donker in onszelf dat daarvoor moet worden getransformeerd in licht.

In diverse benaderingen van spiritualiteit komen we verwijzingen tegen naar de symboliek van de mannelijke rechterkant en de vrouwelijke linkerzijde: ook in de yoga uit India en Tibet, en op afbeeldingen uit de Middeleeuwse alchemie. We zien dan bijvoorbeeld vanuit de afgebeelde persoon gezien – van binnenuit dus – rechts de zon (yang) en links de maan (yin).

Ook de eenwording van ‘boven’ en ‘beneden’ is een kwestie van yang en yin. Het afdalende witte hemelse licht (yang) door het hoofdkanaal van de wervelkolom kan in de diepte van het bekken worden verbonden met de hoeveelheid yin waarmee we geboren zijn, de sterk geconcentreerde energie die via het basis- of wortelchakra uitstraalt. Als we op de juiste wijze ademen komen beide energieën samen in het heiligbeen, als centraal brandpunt voor de energie van de Eenheid, Tao. Dit brandpunt staat ook bekend als het ‘chi-punt’; Hetty Draayer noemt het ‘het kosmisch oog’. Het licht van de Eenheid kan vanuit dit kosmisch oog door de hele ruimte van het lichaam en ook daaromheen gaan stralen – en van ons uit, de wereld in en naar anderen toe. We kunnen dan duidelijk ervaren dat we ons niet alleen maar in het lichaam bevinden maar wel van daaruit aanwezig zijn.

Ook de moderne term ‘Christusbewustzijn’ hoort eigenlijk thuis in de alchemistische benadering van het spirituele transformatieproces. Het is niet alleen maar een verandering van bewustzijn, of van mentale instelling. Het ‘Christuskind’ wordt geboren in de ruimte van het mystieke hart – als die ruimte vrij van ego is, vrij van vastgehouden energie, spanningen, verkrampingen en emotionele brokken. In het Thomas-evangelie gaat het om de verlichting van het lichaam. De eenwording van boven en beneden, binnen en buiten en het mannelijke en vrouwelijke in ons wordt een lichamelijk doorleefde werkelijkheid, hier en nu, in deze wereld, op aarde. Je voelt aan den lijve dat je wordt opgenomen in het Koninkrijk, de Eenheid. En ja, eigenlijk voel je je dan als een kind, vervuld van ontzag en verwondering.

Literatuur

Van Hetty Draayer (ook gespeld als: Draaijer) verschenen bij uitgeverij Synthese (voorheen Mirananda): Meditatie, energie en bewustzijn (2001);Vind jezelf door meditatie(1978); Open tussen aarde en hemel (1981); Aura’s, chakra’s, energieën (1983); Naar nieuwe ruimten van bewustzijn (1991).Ook bij Synthese (Mirananda): Barend van der Meer, Commentaar op het Thomas-evangelie, 1984. Schatgraven in Thomas van Bram Moerland verscheen bij Bert Bakker, 2007. Zenmeester Jezus van Jos Stollman verscheen bij Servire/Kosmos Z&K, 2001